Door tekort aan budget wil Staatsbosbeheer bezoekerscentra bij natuurgebieden sluiten. Dat betekent ook dat bezoekerscentrum De Pelen bij Nationaal Park De Groote Peel verdwijnt. Daarmee verliezen we een belangrijke plek voor natuureducatie, recreatie en vrijwilligerswerk. Juist in een tijd waarin de natuur onder druk staat, zijn deze kennis- en bezoekerscentra onmisbaar voor het creëren van draagvlak voor natuur. 

De vakantieperiode is net begonnen. Velen trekken eropuit, in eigen land of over de grens, om nieuwe plekken te ontdekken. Daarbij ook nieuwe natuurgebieden. Voor veel mensen is het bezoekerscentrum het logische startpunt. Je ontdekt er de geschiedenis en het cultureel erfgoed van het gebied, leert wat dit natuurgebied zo bijzonder maakt, welke planten en dieren er leven, en krijgt tips voor de mooiste wandel- en fietsroutes en activiteiten voor kinderen.

Bezoekerscentrum De Pelen in Ospel is zo’n plek. Het ligt aan de rand van Nationaal Park De Groote Peel dat zich uitstrekt over Limburg en Noord-Brabant. Het is een ideale uitvalsbasis voor een mooie wandeling of fietstocht, met horeca, speelruimte voor kinderen en picknicktafels. Bovendien vertrekken er excursies, kun je er terecht met vragen en maak je kennis met de rijke geschiedenis van de Peel en haar omgeving. 

Toch wil Staatsbosbeheer vanwege financiële tekorten meerdere bezoekerscentra sluiten. Tot 2014 werden deze centra gefinancierd door het Rijk. Daarna werd de exploitatie overgedragen aan Staatsbosbeheer, maar zonder financiering. Inmiddels zijn de kosten voor natuurbeheer en andere wettelijke taken fors gestegen, terwijl de financiering onvoldoende is meegegroeid. Daardoor kan de organisatie de bezoekerscentra niet langer bekostigen.

Sluiting is een verlies voor kennis én draagvlak
Het verdwijnen van de bezoekerscentra zou een groot gemis zijn. Het zijn plekken waar kinderen én volwassenen kennismaken met de natuur en leren waarom deze bescherming verdient. Zoals Arjen Buijs, hoogleraar natuurbeleving aan Wageningen University & Research, onlangs in Trouw stelde: "Als mensen ervaring opdoen in de natuur, willen ze die ook actiever beschermen." Jong geleerd is oud gedaan. Kennis en beleving zorgen voor begrip, betrokkenheid en uiteindelijk voor maatschappelijk draagvlak om te investeren in natuur.

Een website of een informatiebord met een QR-code kan die functie niet vervangen. Juist de mogelijkheid om vragen te stellen, verhalen te horen en persoonlijk contact te hebben met medewerkers en vrijwilligers maakt bezoekerscentra van grote waarde.

Daarnaast zijn het belangrijke ontmoetingsplekken voor natuurvrijwilligers. Dat hebben wij zelf ervaren tijdens de Natuurwerkdagen. De dag begint met een gezamenlijke start in het bezoekerscentrum, waarna vrijwilligers de natuur in trekken om mee te helpen met beheer en onderhoud. Na afloop is het centrum opnieuw de plek om ervaringen uit te wisselen en samen de dag af te sluiten. Juist deze vrijwilligers zijn onmisbaar voor het natuurbeheer.

Miljarden voor natuurherstel, maar vergeet de bezoekerscentra niet
De voorgenomen sluitingen zijn pijnlijk, maar komen niet uit de lucht vallen. Staatsbosbeheer heeft de afgelopen jaren te maken gehad met bezuinigingen vanuit het Rijk. Terwijl daarnaast ook de kosten voor natuurbeheer sneller zijn gestegen dan de beschikbare vergoedingen. Daar komen nieuwe uitdagingen bij, zoals hogere kosten voor handhaving en het opruimen van afval- en drugsdumpingen. Het is dan ook niet vreemd dat de organisatie financieel onder druk staat.

Het kabinet wil de komende jaren miljarden investeren in natuurherstel. Dat is een goede ontwikkeling. Maar vergeet daarbij de bezoekerscentra niet. Want investeren in natuur betekent óók deze centra openhouden. Zonder kennis, beleving en draagvlak is duurzaam natuurbeleid niet mogelijk. Bezoekerscentra zijn daarom geen luxe, maar een essentiële schakel tussen natuur en samenleving. Wie wil dat onze natuur behouden blijft moet ervoor zorgen dat mensen haar kunnen beleven. Daarom verdienen bezoekerscentra geen sluiting, maar steun.